Artikel 2

Een psychodramatisch moment in Lissabon

Een student uit onze opleiding wees ons op het boek de 'Nachttrein naar Lissabon', van Pascal Mercier en vertelde dat hij veel van psychodrama daarin herkende. Pascal Mercier is het pseudoniem van Pierre Bieri, die als hoogleraar filosofie verbonden was aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Hij heeft ook het filosofische werk 'Het handboek van de vrijheid' geschreven.
In dit boek wordt een indrukwekkend 'psychodramatisch moment' (op pagina 79-83) omschreven, waarop de schrijver een ontmoeting tussen twee vreemden beschrijft, voor de ruit van een etalage in de stad Lissabon. In dit stuk gaat hij dieper in op de vraag 'wie we van binnen zijn en hoe we van buiten gezien worden'. Naar aanleiding van dit verhaal volgt hieronder een beschrijving over het thema Intern Zelf en Extern Zelf, en de methode "Rolwissel" die in psychodrama veel gebruikt wordt. Tevens leggen wij iets uit over het belangrijke begrip 'Surplus Reality' van Moreno.

Het Intern Zelfbeeld versus Extern Zelfbeeld

Een wezenlijke vraag die ons onvermijdelijk bezighoudt is: komen we uiterlijk anders over dan we ons van binnen voelen; is het innerlijk meer waarachtig dan het uiterlijk, of zijn beide echt. Soms is het duidelijk. Neem het moment op een zonnige zaterdagmorgen dat je fluitend je broodjes gaat halen bij de bakker om de hoek. Ondanks de grote drukte, die je niet verwacht had, geniet je van de broodgeur, bekijk je al die verse broden die liggen te lonken op grote brede houten planken in de winkel. Het water loopt je al in de mond. Je maakt ondertussen een praatje met een medebewoner uit de straat. In je achterhoofd bedenk je dat de koffie inmiddels al ruim een half uur thuis op je staat te wachten. En dan ben je eindelijk (!) aan de beurt, ………..op dat moment dringt zich iemand onbeschaamd voor. Je hebt je echter voorgenomen dat niets of niemand deze prachtige ochtend gaat verstoren, je wilt je ook niet laten kennen. Je beheerst jezelf en zegt beleefd: "Ga uw gang". Geen vuiltje aan de lucht lijkt het.
Tegelijkertijd begint van binnen je hart te bonzen. Je mobiliseert onder je ruimzittende kleding en de schijn van rust, al je spieren om deze persoon door de deur naar buiten te werken. Uiterlijk blijf je volkomen vriendelijk. Maar zodra je thuis bent loop je boos rond en bedenkt hoe je deze voordringer boos had willen aanspreken. Je Interne Zelf neemt het daar de rest van de ochtend, volledig over.
Als je dit structureel overkomt in allerlei situaties biedt psychodrama eenvoudige methodieken om dit uit te werken; via de interne dialoog en een rollenspel.
Of door te werken in 'surplus reality'. (Onderaan het artikel leggen we uit wat dit betekent).

Het opzetten van een masker heeft echter ook vele sociale en strategische functies, evenals het voor onze beschaving ook noodzakelijk is dat we ons kunnen beheersen. Dit plaatst ons dus voor dilemma's.
Leni Verhofstadt- Denève beschrijft het in haar boek 'Zelfreflectie en persoonsontwikkeling. Een handboek voor ontwikkelingsgerichte psychotherapie'(1988, 2001) als volgt:

"In menig opzicht zijn wij voortdurend acteurs (zie Laing, 1972). In de hoop op een positieve evaluatie door diverse anderen komen wij ertoe interne aspecten van het Zelfbeeld ( waarvan wij vrezen dat ze in bepaalde situatie minder geapprecieerd zullen worden) te verbergen. Wij zullen ons anders voordoen dan wij (reëel) vermoeden te zijn. In dat geval ervaren wij een tegenstelling tussen het extern 'gespeelde' en het intern ervaren Zelfbeeld. Sommige mensen zijn zeer bedreven in het hanteren van technieken om hun innerlijk zelf te verbergen en vinden deze tegenstelling niet hinderlijk. Anderen daarentegen ervaren de discrepantie tussen intern en extern zelfbeeld als een ethische belasting".

Tegelijkertijd gaat het over nog een dieperliggende vraag namelijk: of we in staat zijn in ons 'diepere zelf' gekend te worden door de ander. We kunnen daar erg naar verlangen, maar we hebben ook de behoefte, of bevinden ons in situaties waar het nodig is, ons zelf te verbergen.
In hoeverre kunnen we ons daarin bewust communicatief sturen? En kennen wij de innerlijke werkelijkheid van ons zelf en van onze dierbaren wel voldoende?
Zijn we in staat om in de schoenen van de ander te gaan staan? Kunnen we werkelijk meevoelen met onze collega's, vrienden en familie?
In psychodrama zijn deze vragen voortdurend aan de orde. Een daarbij veel gebruikte techniek in psychodrama, is de rolwissel.

De oorsprong en betekenis van de methode 'rolwisselen'

In 1934 aan de universiteit van Chicago, introduceerde G.H. Mead (1863- 1931), een sociaal gedragswetenschapper die het begrip 'rol' plaatste in de sociologie en psychologie, het begrip 'rolwissel'. We zijn volgens hem in staat denkbeeldig in de schoenen van de ander te gaan staan. We kunnen dan min of meer de werkelijkheid, en ook onszelf, door de ogen van de ander bekijken. Door 'rolwissel' zijn we in staat ons in het perspectief van de ander te verplaatsen. Mead beschreef dit als een proces van 'role taking'; door een letterlijk en intern fysiek spiegelen, dat zich binnen in mensen afspeelt. Als mens A een houding aanneemt tegenover mens B, dan wordt deze gespiegeld door mens B in zichzelf. Mens B neemt in zichzelf de houding van mens A over, daardoor kan mens B in zichzelf ervaren en begrijpen (symboliseren) wat mens A communiceert. Vervolgens reageert mens B op de spiegeling van A in zichzelf, hij voert als het ware de dialoog in zichzelf, en communiceert van daaruit zijn reactie naar mens A. Mead ziet deze interne dialoog als de basis van de zelfreflectie. Het 'Ik' verhoudt zich tot een verinnerlijkt extern object, wat het 'mij' wordt. Dit wordt ook wel de ik-mij-reflectie genoemd. Deze ik-mij-reflectie ligt volgens Mead ten grondslag aan het denken, de daaruit voortkomende intelligentie, en de opbouw van de sociale identiteit.

De Weense psychiater Moreno (1889-1974) en grondlegger van psychodrama, ontwikkelde in Wenen rondom 1920, en later in Amerika 'de rolwissel' op een meer letterlijke wijze. Moreno stelde dat de ene mens in staat is in de huid van de andere mens te kruipen. Door zich letterlijk, voor zover mogelijk in te leven in de situatie en de beleving van de ander. Het is dan mogelijk de ander beter te begrijpen, een afgestemde manier van reactie te vinden en zelfs te voorspellen hoe de ander zal handelen.
In de tijd dat Moreno medicijnen studeerde woonde hij regelmatig rechtzaken bij. Thuis reconstrueerde hij dan met vrienden en acteurs het 'drama' van de rechtzaak. Hij speelde zelf al de verschillende rollen, inclusief de jury en de rechter. Op grond van deze 'rolwissels' voorspelde hij de uitkomst van de rechtzaak. En legde uit waarom de advocaat zou falen of waarom het verhaal van een getuige overtuigend zou zijn. Opvallend was hoe vaak Moreno's voorspelling juist was (Marineau, 1989).
Later in psychodrama en sociodrama werd de rolwissel een belangrijke techniek voor het oplossen van problemen en vinden van creatieve antwoorden bij relationele vraagstukken.
Ook bij persoonlijke problemen gebruikte hij de interne rolwissel, met behulp van acteurs, waardoor de hoofdrolspeler zichzelf beter kan gaan begrijpen.

Een psychodramatisch 'moment' in Lissabon

Mercier schrijft in zijn boek 'De nachttrein naar Lissabon' het volgende mooie stuk over een moment, een ontmoeting voor en gespiegeld in een etalageruit, tijdens een wandeling van de Portugese arts Amadeu Prado in Lissabon:

"Enige tijd geleden - het was op een gloeiend hete ochtend in juni, het vroege licht stroomde onbeweeglijk door de straten - stond ik in de Rua Garrett voor een etalage waarin ik ten gevolge van het verblindende licht in plaats van koopwaar, mijn eigen spiegelbeeld zag. Ik vond het vervelend mijzelf in de weg te staan - vooral omdat het een zinnebeeld was van de manier waarop ik mij anders tot mijzelf verhield - en ik wilde juist door de schaduwwerpende trechter van mijn handen heen voor mijn blik een weg naar binnen banen, toen achter mijn spiegelbeeld - het leek op een dreigende onweerswolk die de wereld veranderde - de gestalte opdook van een rijzige man. Hij bleef staan, haalde uit het zakje van zijn overhemd, een pakje sigaretten en stak er een tussen zijn lippen. Terwijl hij de rook van de eerste trek uitblies, liet hij zijn blik ronddwalen die uiteindelijk aan mij bleef hangen. Wij mensen, wat weten wij van elkaar? Dacht ik en deed - om zijn gespiegelde blik niet te hoeven ontmoeten - alsof ik de uitgestalde waar in de etalage moeiteloos kon bekijken. De vreemdeling zag een magere, lange man met haar dat al grijs begon te worden, een smal, streng gezicht en donkere ogen achter ronde glazen in een gouden montuur. Ik wierp een onderzoekende blik op mijn spiegelbeeld. Zoals altijd stond ik met mijn hoekige schouders rechter dan recht, mijn hoofd hoog opgericht, hoger dan mijn lengte eigenlijk toestond, bovendien neeg het iets achterover en was ongetwijfeld juist wat zelfs de mensen zeiden die mij niet mochten: ik zag eruit als een hoogmoedige mensenverachter die alles wat menselijk is minacht, een misantroop die voor alles en iedereen een spottende opmerking paraat heeft. Dat was de indruk die de rokende man moest krijgen.
Hoezeer hij zich vergiste! Soms denk ik namelijk: ik sta en loop alleen maar zo overdreven rechtop om tegen het onherroepelijk gekromde lijf van mijn vader te protesteren, tegen zijn ellendig lot door de ziekte van Bechterev kromgetrokken te worden, zijn blik naar de grond te moeten richten als een afgebeulde knecht die niet meer het lef heeft zijn heer en meester met opgeheven hoofd recht in de ogen te kijken. Het is dan een beetje alsof ik, door me uit te rekken, de rug van mijn trotse vader over het graf heen kan rechtbuigen of er met een magische, terugwerkende kracht voor kan zorgen dat zijn leven minder gebogen en minder door de pijn geknecht is geweest dan het in werkelijkheid was - alsof ik door mijn huidige inspanning het smartelijke verleden van zijn feitelijkheid kan ontdoen en het door een beter, vrijer verleden kan vervangen.
En dat was niet de enige misvatting die mijn aanblik in de onbekende man achter mij moest oproepen. Na een eindeloze nacht waarin ik zonder slaap en troost was gebleven, zou ik de laatste zijn die op anderen neerkeek. De dag ervoor had ik een patiënt in aanwezigheid van zijn vrouw moeten vertellen dat hij niet lang meer te leven had. Je moet het doen, had ik mijzelf ingeprent voordat ik het echtpaar binnenliet in mij spreekkamer, ze moeten zichzelf en hun vijf kinderen erop kunnen voorbereiden - en trouwens: een deel van de menselijke waardigheid bestaat uit het vermogen het lot, ook het zware lot onder ogen te zien het was vroeg op de avond geweest, door de openstaande balkondeur had een lichte warme wind de geluiden en geuren van een ten einde lopende zomermiddag naar binnen gevoerd, en als je je zonder enige terughoudendheid en dromerig had kunnen overgeven aan die zachte golf van levenslust, dan had het ook een moment van geluk kunnen zijn. Liet een scherpe, meedogenloze wind de regen maar tegen de ruiten kletteren! Dacht ik toen de man en de vrouw tegenover mij op het puntje van hun stoel hadden plaatsgenomen, aarzelend en vol angstig ongeduld, gretig om de diagnose te horen die hen van de verschrikking van een spoedige dood zou verlossen zodat ze naar beneden zouden gaan en zich onder de flanerende passanten zouden kunnen mengen, een zee van tijd voor de boeg.
Ik zette mijn bril af en pakte met duim en wijsvinger mijn neuswortel beet voordat ik begon te spreken. Het tweetal moest het gebaar hebben herkend als de voorbode van een verschrikkelijke waarheid want toen ik opkeek hadden ze elkaars hand vastgepakt, iets - zo kwam het me voor , en de gedachte snoerde mijn keel dicht zodat het lange wachten nog langer duurde - wat ze al tientallen jaren niet meer hadden gedaan. Ik sprak met teneergeslagen blik tegen die handen, zo moeilijk was het de ogen te verdragen waaruit onuitsprekelijke ontzetting sprak. De handen grepen zich aan elkaar vast, het bloed vloeide eruit weg en het was dat beeld van een bloedeloze bleke kluwen van vingers dat me van mijn slaap beroofde en dat ik probeerde te verjagen toen ik aan mijn wandeling begon, die me voor de spiegelende etalage had gebracht. (en nog iets anders had ik in de zonovergoten straat moeten verjagen: de herinnering aan hoe ik mijn woede over de onhandigheid van mijn woorden bij het verkondigen van de wrange boodschap later over Adriana had uitgestort, alleen maar omdat zij , die beter voor mij zorgt dan een moeder, bij wijze van uitzondering had vergeten mijn lievelingsbrood te kopen. Kon het witgouden licht van de ochtend die onrechtvaardigheid, die voor mij niet ontypisch was, maar uitwissen!)
De man met de sigaret, die nu tegen een lantaarnpaal leunde, liet zijn blik heen en weer gaan tussen mij en wat er op straat gebeurde. Wat hij van mij zag kon niets verraden over mijn twijfel en kwetsbaarheid die zo weinig overeenkwamen met mijn trotse, ja arrogante lichaamshouding. Ik verplaatste mij in zijn blik, nam die innerlijk over en nam vanuit die blik mijn spiegelbeeld in me op. Zoals ik eruit zag en de indruk die ik maakte - dacht ik - was ik nooit geweest, geen minuut in mijn leven. Niet op school, niet tijdens mijn studie, niet in mijn praktijk.Vergaat het anderen ook zo, dat ze zichzelf niet herkennen in hun uiterlijk? Dat hun spiegelbeeld als een coulisse vol lompe vertekening op hen overkomt? Dat ze tot hun schrik een afgrond ontdekken tussen de waarneming die de anderen van hen hebben en de manier waarop ze zich zelf beleven? Dat de vertrouwdheid van binnen en de vertrouwdheid van buiten zo ver uit elkaar kunnen liggen dat ze nauwelijks meer als vertrouwdheid met hetzelfde kunnen worden beschouwd?
De afstand tot de anderen waartoe dit bewustzijn ons brengt, wordt nog veel groter als we beseffen dat onze uiterlijke gestalte door de ander anders wordt waargenomen dan door onze eigen ogen. Mensen zie je niet als huizen, bomen en sterren. Je ziet ze in verwachting hen op een bepaalde manier te kunnen ontmoeten en hen daardoor tot een deel van het eigen innerlijk te maken. Het inbeeldingsvermogen dwingt ze in een vorm waarin ze bij de eigen wensen en verlangens passen, maar dat maakt ze ook zo dat in hen de eigen angsten en vooroordelen kunnen worden bevestigd. We kunnen zelfs niet met zekerheid en zonder vooringenomenheid de uiterlijke contouren van een ander waarnemen. Onderweg wordt de blik afgeleid en vertroebeld door alle wensen en drogbeelden die ons tot de bijzondere, unieke mens maken die we zijn. Zelfs de buitenwereld van een binnenwereld is een deel van onze binnenwereld, om maar niet te spreken van de gedachten die wij over die vreemde binnenwereld ontwikkelen en die zo onzeker en wankelbaar zijn dat ze meer over onszelf zeggen dan over de ander. Hoe ziet de man met de sigaret een man met een geforceerd rechte houding, een mager gezicht, volle lippen en een goudomrande bril op zijn scherpe neus, waarvan ik zelf vind dat hij te lang is en te dominerend? Hoe voegt die gestalte zich in het stramien van zijn voorkeuren en antipathieën en in de overige architectuur van zijn ziel?
Wat aan mijn verschijning wordt door zijn blik overdreven en overtrokken en wat laat hij weg alsof het helemaal niet aanwezig is? Wat de rokende vreemde van mijn spiegelbeeld maakt zal ongetwijfeld een karikatuur zijn, en het beeld dat hij van mij in gedachten van zijn gedachtewereld maakt, zal ook uiterst karikaturaal zijn. En zo zijn wij dubbel vreemd voor elkaar want tussen ons staat niet alleen de bedrieglijke buitenwereld maar ook het drogbeeld dat daarvan in elke binnen wereld ontstaat.
Is het iets kwalijks, die vreemdheid en afstand? Zou een schilder ons moeten uitbeelden met wijd uitgestrekte armen, wanhopig in de vergeefse poging de ander te bereiken? Of moet het portret van de schilder ons laten zien in een houding waarin de opluchting wordt uitgedrukt over het bestaan van die dubbele barrière, die ons immers ook bescherming biedt?
Moeten wij dankbaar zijn voor bescherming van die vreemdheid voor elkaar? En dankbaar voor de vrijheid die de vreemdheid mogelijk maakt? Hoe zou het zijn als wij, onbeschermd door de dubbele breking die het geduide lichaam inhoudt, tegenover elkaar zouden staan? Als we omdat niets ons scheidt en vertekent tussen ons in zou staan, als het ware totaal in elkaar op zouden gaan?"

Het stuk van Mercier omvat boeiende reflecties over de subjectieve en objectieve werkelijkheid, over de betekenis van het Intern en Extern Zelf, en beschrijft indirect de 'rolwissel' zoals G.H.Mead en ook Moreno deze bedoelden. Hij beschrijft hoe moeilijk het is om onderscheid te maken tussen fantasie en werkelijkheid.

Zelfs in onze waarneming van belangrijke en dierbare anderen, die we denken (!?) heel goed te kennen, zijn we vaak niet bewust van het onderscheid tussen onze fantasie, de interpretaties over en de werkelijkheid van die ander. Gedurende de gehele dag construeren we de perceptie van onszelf en anderen, deze constructies bevolken onze innerlijke psychische wereld. Ze worden gerepresenteerd en opgeslagen in onze hersenen. De arts Prado vraagt zich in het bovenstaande af, hoe dicht we met onze waarneming bij de ander kunnen komen. En realiseert zich hoe groot de vreemdheid tussen mensen kan worden, of misschien wel is. Zowel in de perceptie van het uiterlijk, als het aanvoelen van het innerlijk van die ander.

In onze psychische realiteit, verenigen de fantasie en werkelijkheid zich en vormen in feite een oneindige ruimte. Moreno noemde dit de vermeerderde werkelijkheid: de 'surplus reality'.
Deze 'surplus reality' kan op het psychodramatoneel uitgebeeld worden.
De hoofdrolspeler (de protagonist) kan met behulp van de groepsleden door middel van psychodramatische rollen de 'surplus reality' uitspelen. Psychodramatische rollen geven uitdrukking aan de beleving en betekenisgeving van de 'psychische inhouden'.
De 'psychische inhouden' of 'egotoestanden' kunnen bestaan uit symbolen, woorden, losse emoties, flarden van persoonlijke herinneringen, sferen waarin we ons gevangen voelen, abstracte beelden die steeds terugkeren, emoties van traumatische gebeurtenissen die zich 's nachts aan ons opdringen, jeugdboeken die we ons herinneren, de vele mooie momenten die we opnieuw zouden willen beleven.
Zoals de herinneringen en reflecties van Prado in het fragment uit het boek van Mercier.

Deze 'psychische inhouden' kleuren ook vaak hoe we anderen waarnemen. We construeren daarmee als het ware onze waarneming van de ander. We noemen dit de fenomenologische ofwel subjectieve werkelijkheid.

De psychodramatische rol kan tijdens psychodrama onze fenomenologische werkelijkheid, onze subjectieve interpretatie van de objectieve werkelijkheid, tastbaar maken en concreet vormgeven. Zoals bij relatieproblemen, die kunnen ontstaan door een onmerkbaar gegroeide vervreemding, tijdens het drukke gezinsleven en het veeleisende werk van beide partners.
Men kan zich, door te werken met de psychodramatische rol, bewust worden van de filter (de projectie van zichzelf op de ander), en daardoor dichter bij elkaar komen. Door rolwisseling tussen de partners kunnen deze zich bewust worden van de Interne en Externe Zelfbeelden van zichzelf en de ander.
Hierdoor kan de methode bewustmakend en vernieuwend werken in een relatie met betrekking tot de vraag wat de partners voor elkaar betekenen.

Het 'psychodramatisch moment' in het bovenstaande verhaal is de wensvervulling die Mercier beschrijft. De prachtige, zowel tragische als ontroerende beschrijving van de zoon
(Prado) die bijna letterlijk (kinesthetisch) de gebogen houding en de emotionele betekenis daarin gelegen, van zijn vader in zichzelf voelt. De zoon neemt daarop letterlijk, als antwoord, in zijn eigen lichaam, 'de recht opgaande trotse houding' aan, omdat hij zijn vader dit had toegewenst. Hij leefde wat hij zijn vader had toegewenst. Dit is de lichamelijke en emotionele vormgeving (psychodramatisering) van een wensvervulling.





Naar boven                                                                                                                       

Home