Artikel
6
Het verhaal vertelt.
Vooraf
Mensen leven in rollen en wonen in verhalen.
De geschiedenis heeft
duidelijk gemaakt dat de mens een roldrager is.
Overal en altijd bevindt hij zich in rollen. Man, vrouw, kind, student, bakker,
consument, sporter,
Probeer maar eens een situatie te vinden
waar dit niet zo is! Deze rollen vormen verhalen. Dus woont de mens iedere
seconde in één of meerdere verhalen. In werkelijkheid of fantasie.
Mensen leven in allerlei sociale rollen en wonen in al die verhalen, die deze
rollen gezamenlijk vertellen en voortdurend vormen. Het is zo vanzelfsprekend
dat we er niet eens meer bij stil staan. In de neurologie wordt tegenwoordig
zelfs gesproken van een narratief (= verhalend) geheugen. We ordenen onze
werkelijkheid in rollen en verhalen en slaan ze ook zo op in onze hersenen.
Vervolgens roepen we ze ook weer op als verhalen.
Elke dag als we na ons werk thuis komen hebben we veel verhalen te vertellen.
De persoonlijke betekenis (waardoor zijn we geraakt, waar zijn we gevoelsmatig
mee bezig) bepaalt welke verhalen we het eerst, of het meest uitgebreid vertellen.
We willen delen waar we 'emotioneel vol' van zijn. Ook de wijze waarop we
onze verhalen vertellen wordt sterk bepaald door onderliggende emoties en
behoeften. Onze verhalen komen voort uit, vertellen we door emotionele 'narratieve'
zelfsturing.
" Het verhaal. Dat vind ik een mooie manier om informatie te ordenen." (Mak, 2004 )
De supervisant komt de
werkkamer van de supervisor binnen en brengt verhalen mee. Vraag hem hoe het
met hem is en hij zal een verhaal gaan vertellen.
Van zijn reis naar de afspraak. Van zijn laatste cliëntgesprek. Van hoe
het hem verder is gegaan na de vorige keer en hoe het was om een werkpunt
te bedenken. Van het maken van een verslag. Hij begint te vertellen en ordent
daarmee zijn gebeurtenissen.
"Met een verhaal heb ik geschiedenis, want een verhaal is een op een bepaalde wijze gepresenteerde geschiedenis. Die geschiedenis wordt op haar beurt gevormd door een reeks logisch en chronologisch gerangschikte gebeurtenissen, veroorzaakt of ondergaan door 'acteurs'. Een acteur is iemand die een handeling verricht en een rol heeft, een rol in het eigen verhaal." (Olthof + Vermetten, 1994, blz 103)
In de verhalen van alledag
zitten ook andere verhalen 'verscholen'.
Het verhaal van wie hij is: zijn familie, zijn jeugd, zijn ervaring. Het verhaal
van wie er belangrijk voor hem zijn: vroeger en nu. Het verhaal van wát
er belangrijk voor hem is: zijn waarden, zijn normen, zijn wensen, zijn verlangens.
De supervisant komt om te kijken naar zijn zichzelf als beroepspersoon. Hoe gedraagt hij zich in zijn functie, hoe vindt hij dat en kan hij, indien gewenst, veranderen. Hij wil grip krijgen op zichzelf als professional.
Belangrijk is voor hem
te ontdekken wat hem beweegt. Waardoor doet hij zó en niet anders?
Welke processen zetten hem aan tot actie, tot handelen.
Het antwoord op de vraag wat hem beweegt, is te vinden in zijn verhalen.
En in de verhalen achter zijn verhalen. Door in zijn verhaal te stappen vindt
hij zijn drijfveren en krijgt hij meer mogelijkheden om daar invloed op uit
te oefenen.
De professional heeft
als taak de verhalen van zijn cliënt te laten ontstaan én tegelijk
zijn eigen verhalen bewust kunnen hanteren.
Dit is een bekend gebied voor de supervisor, Siegers (2002, blz 8) spreekt
van:
"het functioneren vanuit een dubbeloptiek. De uitvoerder moet in zijn werk twee relaties met elkaar hanteren: die met zijn cliënt en die met zichzelf".
Het kan dus nogal vol
worden in de kamer van de supervisor.
De supervisant met zijn verhalen. Als die er zijn, de andere supervisanten
met ieder hun verhalen. En natuurlijk heeft de supervisor zijn eigen verhalen.
Het is duidelijk: hier is ruimte, ordening en overzicht nodig!
Francois Breuer (2006) verwoordt het als volgt:"De interactie tussen de verteller en de luisteraar biedt de mogelijkheid van het ontstaan van een ruimte, die ik de narratieve ruimte zou willen noemen, waarbinnen de wereld van de verteller en van de luisteraar elkaar ontmoeten en waarin ideeën ervaringen, gevoelens en andere bewustzijnsinhouden met diepe interesse en respect voor elkaars verschillende belevingswereld worden uitgewisseld. Kenmerkend voor deze ruimte is een bepaalde mate van openheid, intimiteit, ontvankelijkheid, en verwondering die ondersteund wordt door een quasitranceachtige staat van bewustzijn die tegelijkertijd een alertheid naar buiten en een zelfonderzoek naar binnen toelaat".
In de loop der jaren hebben wij een methodiek ontwikkeld waarin het verhaal een centrale plaats inneemt: 'Het verhaal als deur naar dieperliggende betekenis". Bij deze methodiek komen de deelnemers in een verhaal, dat van henzelf en van de ander. Vanzelf worden de deuren naar een volgende laag voelbaar, zichtbaar. Een prachtige inspirerende manier van werken.
Deze methode is uitermate geschikt voor supervisie, wat wij in dit artikel willen aantonen. Allereerst zullen we de verschillende elementen noemen, die geïntegreerd worden in ons werken met verhalen. Daarna de uitgangspunten van onze methode: de mens leeft in rollen en woont in verhalen. In paragraaf 3 laten we door middel van een casus zien hóe het narratieve vorm krijgt binnen supervisie. Ook noemen wij de tools die de supervisor in kan zetten om dit te bereiken. Vervolgens benoemen we de verschillende niveaus van integratie en hoe deze te herkennen zijn binnen onze methodiek.
1. achtergronden
Onze werkwijze bevat elementen uit lichaamsgericht werken, werken in contact
en in het hier + nu. Hij is existentiëel, dat wil zeggen dat de mens
in zijn alleroorspronkelijkste vorm wordt aangesproken.
We werken contactgericht zoals in de Gestalttherapie én terug vinden
in de grondhouding van de Rogeriaanse therapeut. Onze grondhouding is erop
gericht is dat de begeleider zijn eigen 'gevoel' tegelijkertijd naar binnen
en naar buiten uitbreidt. Hierdoor ben je als supervisor congruent: dat wil
zeggen 'echt' in de ontmoeting met de supervisant.
Psychodrama is een belangrijk onderdeel in onze werkwijze: psychodrama is
een vorm van groepspsychotherapie ontwikkeld door de Weense psychiater J.L.Moreno
(1889-1974).
In psychodrama zet je alles wat je binnen je ervaart door middel van de andere
groepsleden neer op het toneel. De fysieke ruimte van het toneel beeldt dan
de psychische ruimte uit, waarin het verhaal zich afspeelt. De medespelers
uit de groep kunnen praktisch alles uit de psychische werkelijkheid vormgeven.
Door middel van de techniek van rolwisselen ontstaat het verhaal.
Dit wordt, naarmate de hoofdrolspeler (de protagonist) meer opgaat in het
verhaal, vaak als levensecht ervaren.
Daardoor krijg je de mogelijkheid letterlijk in je psychische werkelijkheid
te stappen. Zo kun je alle innerlijke dilemma's uitbeelden, maar ook verdrietige
of ontroerende gebeurtenissen herbeleven. Toekomstfantasieën kun je uitspelen,
of je kunt eenvoudig een sollicitatiegesprek voorbereiden. Je bent dan regisseur
van en acteur tegelijkertijd in je eigen verhalen. Door de intense beleving
kunnen pijnlijke situaties verwerkt worden, er kunnen door nieuwe of andere
emoties nieuwe antwoorden gevonden worden op oude problemen.
Een voorbeeld uit het
dagelijks bestaan:
'ik sta bij de bakker te wachten op mijn beurt. Er komt een dame binnen en
die dringt voor. Ik blijf heel vriendelijk, maar van binnen kan ik haar wel
bij haar lurven pakken.' Waarom overkomt me dit nu iedere dag?
In psychodrama kun je dit onderzoeken; en ga je in de fantasie naar de bakkerij.
'Waar was je, hoe ruikt het daar, hoe is de geur van het brood.'
Je zet de scène neer en mensen uit de groep helpen daarbij: 'wie mag
de vrouw zijn die voordrong, welke 2 mensen mogen jouw innerlijk dilemma neerzetten?'
Je beeldt het uit: je ziet een psychische werkelijkheid die je je herinnert
van een situatie. Je bent in die bakkerij geweest, je hebt daar die mensen
ontmoet, je hebt een innerlijk dilemma ervaren. Door het neer te zetten stap
je opnieuw in je eerder ervaren werkelijkheid en ga je met dat innerlijke
dilemma aan de slag.
In het verhaal kan je een nieuw verhaal tegenkomen, meestal verscholen achter
een (h)erkenning: 'dat heb ik nou zo vaak in mijn leven, dat ik niets zeg.
'Wanneer had je dat eerder?'. 'Toen ik 15 was, op een schoolavond
.'
. Ziedaar, de deur naar een ander verhaal gaat open.
En dus naar een andere laag en een diepere betekenis.
2. uitgangspunten: de mens leeft in rollen en woont in verhalen.
Er komt nooit één
persoon binnen, altijd brengt hij/zij zijn verhalen mee.
Die verhalen zijn de werkelijkheid waarin de ervaring was en waarin het antwoord
gevonden kan worden op een gevoel, op een vraag, op een dilemma, op een nieuwsgierigheid.
Wat ons reeds duidelijk werd is dat de mens ruimte is en de menselijke beleving
in de vorm van rollen en verhalen deze ruimte inricht. De psychische werkelijk
is ruimtelijk, gestructureerd en dynamisch.
Tijdens supervisie kan deze psychische ruimte tot een narratieve ruimte worden.
Door contact- en lichaamsgericht en zintuiglijk te werken.
Hiervoor zijn vijf begrippen belangrijk, welke we achtereenvolgens hieronder
zullen toelichten: zelfsturing, zelfgevoel, gevoelsveld, integratieve - en
kinesthetische rollen.
2a) Zelfsturing
Het is zo vanzelfsprekend
dat we ons zelf sturen in denken, handelen en spreken dat we er niet bij stil
staan. Het gebeurt dan ook vaak onbewust en automatisch. Bovendien zijn we
regelmatig meer extern dan intern gestuurd. Soms worden we letterlijk weggeduwd
als we proberen een drukke trein binnen te komen. Als de telefoon gaat hebben
we deze in een reflex opgenomen. Enorme hoeveelheden werk nemen je al weken
volledig in beslag, je voelt dat je dan geleefd wordt door je werk. Regelmatig
hebben we het gevoel dat het leven ons meer overkomt dan dat we het roer zelf
in handen hebben. Toch zijn er in al deze voorbeelden nog veel momenten van
zelfsturing.
Zelfsturing begint bij je vermogen om je aandacht bewust te sturen en gericht
keuzes te maken met betrekking tot wat je wilt en kunt. Of je hier bewust
gebruik van maakt is ook weer een kwestie van zelfsturing.
Zelfsturing ligt ten grondslag aan je vermogen tot denken (nadenken, overdenken
en vooruit denken), beeldvorming, actieve betekenisgeving, nemen van besluiten,
kiezen in wijze van communicatie en handelen.
Zelfsturing kan onderverdeeld worden in cognitieve zelfsturing en narratieve
zelfsturing.
2a.1
Cognitieve zelfsturing is het bewust sturen van denken, handelen en spreken
met een zekere wilskracht. Zelfsturing is daarom ook vooral de mate waarop
je aanwezig kunt en wilt zijn in je dagelijks functioneren en bepaalt zo de
mate van je bewust en adequaat handelen. Cognitieve zelfsturing is: wilskrachtig
handelen en recht op je doel afgaan, of subtiel afstemmen tijdens een delicaat
moment, rustig blijven terwijl je doodsbang in een bedreigende situatie bent,
een half uur op een meditatiekussen stil blijven zitten, onder water je adem
inhouden, op je rug in het gras liggen en een lezing voorbereiden, een oplossing
doordenken etc
.
2a.2
Narratieve zelfsturing komt bewust of onbewust voort uit de rollen en verhalen
vanuit ons verleden. Je gedraagt je tegenover je directeur net zoals tegenover
je vader. Je hebt in India meegemaakt hoe een brug waar jij op liep in ging
storten en nog steeds ben je bang over een brug te lopen.
Narratieve zelfsturing is ook een vorm van spontaniteit, die voortkomt uit
onze intentionaliteit ofwel onze dieperliggende motieven waar we ons in meer
of mindere mate bewust van zijn. Zoals creatieve denkprocessen tijdens het
schrijven van een verhaal. Improviseren bij het spelen van muziek. Of intuïtieve
besluiten die je neemt omdat het zo aanvoelt. Soms als je terug kijkt op je
leven dan krijg je de indruk dat je op weg was naar het 'gevoel van bestemming'
dat je in je huidige leven hebt weten te bereiken.
Zo kun je ook omgekeerd het gevoel hebben, een soort 'innerlijk weten' dat
je nog niet op je bestemming bent. De innerlijke drang, ook wel intentionaliteit
genoemd, om verder te gaan is een vorm van narratieve zelfsturing.
Door middel van zelfsturing
en het denken in verhalen en rollen bieden wij een structuur waar mensen naar
terug kunnen kijken, waar mensen op kunnen reflecteren en van waaruit mensen
zich kunnen sturen.
De narratieve zelfsturing ontvouwt zich op een manier die je niet kan voorspellen.
Die komt zoveel mogelijk voort uit de persoon zelf. Het is een innerlijk weten
van de persoon zelf. Het zijn de betekenislagen die iemand in zijn eigen verhaal
wil ontvouwen.
In deze narratieve methode laten wij mensen bewust worden van hun verhalen.
Hoe die verweven zitten in elkaar, in hun psychische ruimte.
2b) Zelfgevoel
In onze visie begint bewustwording
van zowel de emoties als het denken in het lichaam. Deze bewustwording is
vorm van 'zelfgevoel' mogelijk door gevoelsontwikkeling (Damasio (2002, 2003),
Veldman (1986). Zelfgevoel is je lichamelijk, emotioneel en mentaal (geordend
en/of ongeordend) bewustzijn in het 'hier en nu'. Het is in eerste instantie
je lichaamsbeleving, die vaak maar af en toe in je bewustzijn opduikt in de
vorm van: warme handen, de rugleuning van de stoel die we voelen, een bonzend
hart, een gevoel van dorst, pijn in je nek.
De gedachten die je hebt bepalen ook je zelfgevoel.
Dit eerste zelfgevoel is passief, een vorm van min of meer, bewust 'je overkomend'
zelfgevoel, meestal opgeroepen door emoties en zintuiglijke indrukken van
gebeurtenissen in de buitenwereld.
Zelfgevoel kan ook op
zinvolle wijze actief ontwikkeld worden door je bewuste aandacht daar naartoe
te sturen. Zelfgevoel wordt dan gestimuleerd door je aandacht te richten op
het bewust voelen met behulp van je tastzin.
Je tastzin speelt een hoofdrol in het vermogen tot bewustzijn. De tastzin
is actief als je fysiek en/of emotioneel geraakt wordt. Het gevoel in het
hier en nu, ontstaat door hoe je letterlijk en figuurlijk, door jezelf en/of
je omgeving, geraakt worden. In feite is elke zintuiglijke ervaring een vorm
van fysiek geraakt worden. Het geluid tegen je trommelvlies, het licht op
je netvlies, de geuren in je neus, de stoffen die je smaakpapillen raken.
Zo word je ook intern fysiek geraakt door de lichaamsveranderingen die je
als emoties kunt herkennen en waardoor je gevoelsontwikkeling plaatsvindt.
Gaan we die tastzin verder ont-wikkelen dan herkennen we een verschil in fysieke
en psychische tastzin.
2b.1
De fysieke tastzin is gericht op het pure fysieke voelen, het ervaren van
de motoriek, bewustzijn van je lichaamshouding; hoe je bewust je hand voelt
bewegen, hoe je merkt dat je je schouders optrekt, het ervaren dat je koude
voeten hebt, dat je je hoofd stoot, de wrijving van de broekspijpen tegen
je benen, de streling van de wind langs je gezicht, de warmte van de kachel
als je een huis binnen gaat. Door de tastzin kun je, met enige oefening, de
ruimte in je borst en buik, maar ook in je armen, benen en hoofd ervaren.
Je bent in staat je gehele lichaam als een ruimte te voelen, je kunt ook de
ruimte om je heen voelen. Hoe meer je je lichaam als een totaliteit kunt ervaren,
hoe groter je zelfgevoel wordt, het kan dan je functioneren ondersteunen.
Je neemt bewuster ruimte in, je ervaart intensief mede vanuit je zintuiglijke
beleving wat je aan het doen bent. Het lichamelijk voelen vormt in feite de
basis van je bewust zijn in het hier en nu. Je ervaart jezelf dan als meer
aanwezig. Je bent je dan ook gemakkelijker bewust van je emoties en gedachten
in het hier en nu. Vanuit de fysieke tastzin ontstaat de psychische tastzin.
2b.2
De psychische tastzin begint bij de emotionele beleving; als je geniet van
warme voeten, plezier in je buik ervaart, de streling van de wind als een
teder gevoel beleeft, hoe je vastberaden in een drukke trein een plek verovert,
zelfverzekerd het podium oploopt om een lezing te geven, genietend glimlacht
naar een kind.
De psychische tastzin is in feite de werkelijke bewustwording van emoties.
De bijbehorende gelaatsexpressie en motoriek; hoe je angstig opspringt als
er opeens naast je een hond begint te blaffen, tranen van ontroering krijgt
door muziek, geërgerd je schouders ophaalt, wanneer een verdrietig gevoel
je borst vult als je stilstaat bij een verlies en boos kijkt als je eraan
denkt hoe je een keer onheus bejegend werd. De gewaarwordingsplekken in je
lichaamsruimte wordt op deze momenten de bedding van je psychische ruimte
De tastzin legt dus een
brug tussen je fysieke beleving enerzijds en je emotionele of psychische beleving
anderzijds. Door de emotionele beleving vinden er daadwerkelijke lichaamsveranderingen
plaats. Je lichaamsruimten worden op dat moment, door een emotionele beleving,
een psychische ruimte. Op deze wijze kun je de psyche op een ruimtelijke wijze
ervaren.
Deze psychische ruimte wordt bevolkt door rollen en verhalen, die ten grondslag
liggen aan de narratieve zelfsturing.
2c) Het gevoelsveld
Onze methodiek is erop
gericht dat de supervisant zich bewust wordt van deze psychische ruimte. En
welke rollen en verhalen in deze ruimte opduiken. En deze vervolgens in contact
met de supervisor kan brengen. Zoals Breuer (2006, blz) schrijft:
" Kenmerkend voor deze ruimte is een bepaalde mate van openheid, intimiteit,
ontvankelijkheid, en verwondering die ondersteund wordt door een quasi tranceachtige
staat van bewustzijn die tegelijkertijd een alertheid naar buiten en een zelfonderzoek
naar binnen toelaat."
De supervisant breidt zijn psychische ruimte zowel naar binnen als naar buiten
uit. Op een zodanig kwetsbare wijze dat de supervisor daaraan kan deelnemen,
en de supervisant met respect daarin kan begeleiden. De mens heeft de mogelijkheid
zijn gevoel uit te breiden naar de ander om samen in een soort tastbare en
gedeelde ruimte te komen. Dat noemen wij het gevoelsveld, dat ontstaat door
'wederzijds geraakt zijn'. Zowel de supervisor als de supervisant zijn geraakt,
waardoor bij beiden de gevoelsontwikkeling gestimuleerd wordt. Door deze wederzijdsheid
kun je elkaar ontmoeten in een 'bewogen' verhaal. Waarbij het verhaal van
de supervisant centraal staat en er voldoende reflectieve distantie blijft.
Dit is het werken met het gevoelsveld in de narratieve ruimte.
Door de gevoelsontwikkeling die op deze wijze kan ontstaan in de narratieve
ruimte, tussen supervisor en supervisant, kan de supervisant zich middels
het gevoelsveld bewust worden hoe hij/zij in het ingebrachte verhaal, narratief
vanuit dieper liggende motieven gestuurd wordt.
Waarneer de narratieve ruimte tot een 'gevoelsveld' kan worden, die de tastbare
intentionele samenhang vormt in de verhalen, wordt het mogelijk ' te doorvoelen
naar diepere betekenislagen'. Je bent in staat om je eigen ruimtelijke beleving
en zelfkennis te vergroten door de psychische en een fysieke tastzin, de integratieve
en kinesthetische rollen, die een zinvol groter narratief geheel kunnen vormen
in het gevoelsveld.
Het gevoelsveld kan groeien in een zorgvuldig opgebouwde narratieve ruimte.
2d) De integratieve rollen
In het gevoelsveld ontstaan
door het geraakt worden tijdens de interactie, emotionele patronen. Deze emotionele
patronen noemen we de integratieve rollen. Zij laten zien hoe we vorm geven
aan onze psychische werkelijkheid tijdens interactie met de omgeving en hoe
we deze werkelijkheid beleven.
Integratieve rollen vertellen iets over hoe we ons gedragen, welke emoties
we daarbij ervaren en wat we erbij denken. Zij worden voelbaar en zichtbaar,
voor onszelf en voor anderen, door beweging, gezichtsuitdrukkingen, stemgebruik,
lichaamshouding en taal. De samenhang van deze verschillende aspecten ontstaat
door de emotionele beleving. Voorbeelden van integratieve rollen zijn: plezier,
vastberadenheid, vertrouwen, genegenheid, verwijtend, etc.
Het zijn patronen die ontstaan uit en vormgeven aan de integratie van zintuiglijke
indrukken, motoriek, emoties en gedachten.
Ofwel de integratie van lichaam en geest.
Bij deze integratie staat de emotie centraal. Steeds meer wordt emotie gezien
als bron van intelligentie. Door nieuwe ontdekkingen in de neurologie wordt
duidelijk hoe belangrijk emoties zijn voor de samenwerking van de verschillende
hersengebieden.
Emoties zijn in feite een vorm van psychisch en/of lichamelijk 'in beweging
zijn': op een zondagmorgen staan in de zon en genieten van de warmte en het
ontspannen gevoel. Emoties zetten ons ook aan tot handelen; als we bang zijn
gaan we op de vlucht, als we boos zijn vallen we aan, als we genegenheid ervaren
kunnen we de ander teder aanraken. Lichamelijk in beweging zijn wordt door
de emotie een psychisch in beweging zijn.
Vaak herkennen we de emoties die in een lichaam door de beweging tot uitdrukking
komen op eenzelfde wijze: de tedere handbeweging van de dirigent, de sierlijke
lichaamsdraai en het overtuigende schot op doel van de voetballer, het boze
stemgeluid en de geërgerde blik van de leraar die een klas tot stilte
maant, de verdrietige blik bij een afscheid, het vrolijke spel van kinderen.
2e) Kinesthetische rollen
Als we integratieve rollen
in ons bewustzijn roepen maar ons er nog niet mee identificeren, dan spreken
we van kinesthetische rollen. Dat wil zeggen dat we de rollen 'zien' en 'tastzintuiglijk
voelen' in onze psychische ruimte, maar zijn er dan nog niet daadwerkelijk
mee geïdentificeerd. Als je je 'herinnert' hoe je boos was en daar in
je voorstellingsvermogen helemaal in op gaat, dan maak je contact met een
kinesthetische rol in je psychische ruimte.
Wat is kinesthesie?
Kinesthesie staat in het woordenboek beschreven als bewegingsgevoel, gevoel
voor de werking van de spieren en de stand van de ledematen. Het kinesthetische
vermogen speelt dan ook een grote rol bij de omzetting van beeldvorming naar
actie. We leren nieuwe bewegingen doordat ze voorgedaan worden. We kunnen
ze dan nadoen. Aan elke nieuwe beweging is een voorstelling voorafgegaan,
hoe langgeleden en eventueel onbewust dit ook geweest is. Zo hebben we ooit
als kind leren lopen. Stap voor stap. Door dit vermogen kunnen we nieuwe bewegingen
zoals schrijven, dansen en autorijden aanleren, mentaliseren en verder ontwikkelen.
We kunnen het kinesthetische vermogen bewust leren gebruiken.
Dit wordt in de sport veel gedaan. Over de schaatser Wennemars is bekend dat
hij vóór hij daadwerkelijk gaat schaatsen, zich op een bankje
zittend voorstelt dat hij zijn schaatsen aandoet en dat ook werkelijk visueel-tastzintuiglijk-motorisch
ervaart. Vervolgens stelt hij zichzelf tastzintuiglijk-visueel voor hoe hij
heel nauwgezet kinesthetisch de schaatsbaan rondrijdt, in de tijd die hij
meestal daarvoor gebruikt. Dit is een mentaal en motorisch opwarmingsproces
van de rol van schaatser. Lichaam en geest stellen zich af op elkaar, gaan
één geheel vormen.
Kinesthetische rollen, met de bijbehorende verhalen, ontstaan vanuit deze
opgeslagen gementaliseerde bewegingen. Op het moment dat een herinnering aan
een beweging geactiveerd wordt, zonder dat men deze beweging daadwerkelijk
maakt, is er sprake van een kinesthetische rol. Wanneer je als voetballer
kijkt naar een voetbal wedstrijd, worden je eigen bewegingen als voetballer
opgeroepen, je speelt in je fantasie mee, terwijl je gewoon stilstaat.
Of als je als chauffeur naast de bestuurder zit, merk je bij een spannende
situatie dat je intern mee remt, terwijl je jouw benen gewoon stilhoudt.
De kinesthetische rol bevindt zich tussen de tastzintuiglijke beeldvorming
en
de daadwerkelijke identificatie met de beweging tijdens fysieke actie.
Dit 'kinesthetisch vermogen' kunnen we gebruiken om de supervisant met behulp van integratieve rollen in het eigen verhaal te laten stappen.
We reageren met rollen op de rollen die we waarnemen. Wanneer bij de ander de integratieve rol 'genegenheid' voorgrond is zal ik anders reageren dan wanneer de integratieve rol 'boosheid' voorgrond is. Dit is lang niet altijd een bewust proces: het kan ook reflexmatig zijn, een integratieve rol kan zich snel in het voorbijgaan voordoen. We kunnen het werken met het kinesthetisch vermogen gebruiken om ons meer bewust te worden van wat we in allerlei professionele situaties meemaken; hoe we ons gedragen, wat we voelen, hoe we de ander waarnemen, welke dilemma's daarbij naar voren komen.
Zoals in het volgende
voorbeeld:
Stel dat ik op het moment dat mijn cliënt aanbelt voor een afspraak,
de deur open doe en beschroomd de sessie afzeg, met een heel goede reden.
Dan kan even in een flits, nauwelijks waarneembaar, een vleug van teleurstelling
op het gezicht van de cliënt komen; een waarneming die terstond bijna
volledig overvleugeld wordt door zijn ruimhartige woorden: " natuurlijk
ik snap het, we maken wel een nieuwe afspraak."
Mogelijk neem ik bewust, omdat ik deze natuurlijk het liefst zie, alleen de
integratieve rol 'de ruimhartige' waar. Ik voel me opgelucht door de begripsvolle
reactie. Later begin ik me toch ongemakkelijk te voelen over mijn afzeggen.
Ik breng deze gebeurtenis in bij mijn eigen supervisie. Ik wil mijn 'ongemak'
onderzoeken. Ik roep opnieuw de ontmoeting aan de voordeur op en dan kan blijken
dat ik onbewust de (integratieve rol) teleurstelling toch wel heb gezien.
In mijn beleving sta ik in de psychische ruimte kinesthetisch opnieuw aan
de voordeur en ik zie dan wel de teleurstelling. Ik word me dan bewust van
het schuldgevoel wat daardoor werd opgeroepen. Daarna komt de volgende stap:
als ik me bewust ben van de sturing van de integratieve rollen die aanwezig
zijn in mijn verhaal (ongemak, schuldig voelen), komt de kans om daar iets
mee te doen. Om mezelf te sturen en te besluiten hoe ik mijn cliënt de
volgende keer ontvang.
Het zijn deze vijf aspecten:
zelfsturing, zelfgevoel, gevoelsveld, integratieve - en kinesthetische rollen,
die de basis vormen van onze manier van werken met 'het verhaal als deur naar
dieperliggende betekenis'
Vanuit wederzijds respectvol contact kan de supervisant zich zodanig ontvouwen,
waardoor de narratieve ruimte ontstaat.
Door de wederzijdse bewogenheid, geïnspireerd door het verhaal van de
supervisant in de narratieve ruimte, groeit er een gevoelsveld waardoor een
diepere betekenislaag bewust kan worden.
Als je in het verhaal
stapt ontvouwt zich dus een enorme complexiteit.
In het verhaal van het heden kan een deur naar een andere betekenis liggen,
naar een nieuwe betekenis. Dat kan terug in de tijd zijn, maar dat kan ook
ontstaan omdat een verhaal uit het verleden een verhaal in het nu ontmoet
en dat samengaat in een verhaal in de toekomst.
Wij hebben een manier van werken ontwikkeld waarbij we de mens uitnodigen in zijn verhaal werkelijk te bewegen, te doorvoelen en het te onderzoeken wát hem raakt, hoe het hem raakt en waarom het hem raakt. Om daarna te komen tot zowel narratieve als ook cognitieve zelfsturing.
3. bewegen in narrativiteit:
een voorbeeld
Aan de hand van een supervisie voorbeeld illustreren we hoe iemand via het
ene verhaal in het volgende komt. Hoe zij zich bewust wordt en daardoor meer
grip krijgt op haar gedrag.
Tussendoor worden de tools genoemd die je als supervisor kunt inzetten.
"Een vrouw is in
supervisie, zij is raadsonderzoeker. Zij komt nu voor de 5e keer. Zij vertelt
over de druk op haar werk, ze heeft het waanzinnig druk. Ze vertelt dat ze
ontzettend haar best doet om de deadlines en targets van haar bedrijf, de
raad van de kinderbescherming, te halen.
Ze haalt die deadlines niet en ze zegt steeds: "het is niet genoeg".
Ze heeft een seintje op haar computer geïnstalleerd, dat springt aan
als ze een moment niet gehaald heeft, wat ze voor zichzelf heeft gesteld:
ik moet om 10 uur dat verslag afhebben.
Elke keer als ze dit vertelt zegt ze: "het is niet genoeg!".
Dat zegt ze met een grote nadruk, met een lading.
Ik (als haar supervisor) hoor die woorden en ik denk: waarom zegt ze die woorden.
Ik word ontzettend nieuwsgierig naar die woorden.
Ik vraag haar om in haar verhaal te stappen. Dat doe ik door haar achter haar computer te laten zitten. In gedachten gaat ze naar haar eigen werkruimte, naar haar computer. Het toen + daar maak ik tot hier + nu.
Tool is: het toen + daar tot hier + nu maken.
'Je zit achter je computer,
wat zie je, wat ruik je, wat voor licht is er, waar zijn de ramen, waar is
de deur, wat hoor je.'
Ik vraag haar om te beschrijven waar ze zit, hoe ze zit en ik denk steeds:
als ik het kan voelen waar zij zit, dan zit zij er ook.
Zij gebruikt haar zintuiglijke waarneming om daar aan te komen en te zijn.
Tool is: het zelf voor je kunnen zien als begeleider.
Ik vraag haar te vertellen in 1e persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd. Waar is ze, wat voelt ze, wat ziet ze, ruikt ze.
Tool is: de supervisant aanwezig laten komen in zijn verhaal via praten in 1e persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd.
"Ik zit achter mijn
computer, dat ding gaat knipperen en het is niet genoeg!."
Dat zinnetje herhaalt ze steeds.
Dan stapt ze uit het verhaal en gaat ze nog eens uitleggen hóe de raad
werkt.
Ze vertelt mij de achtergrond van de organisatie op een manier die ik niet
begrijp: ze kijkt half lachend, schuin naar mij en haar toon wordt anders
"het is ook niet genoeg
..?!"
Dat trickert mij.
Opeens lijkt het alsof ik iemand anders ben. Niet de supervisor, maar een
ander die wordt aangesproken.
Dat voel ik. Ik gebruik mijn eigen awareness. Ik voel dat er iets verandert
in de manier waarop ze naar mij kijkt en vertelt.
Tool is: mijn eigen
awareness gebruiken.
Tool is: niets invullen: ik gebruik mijn eigen awareness om vragen te stellen.
Dan ga ik haar naar het hier + nu van ons contact halen.
Tool is: de relatie tussen begeleider en begeleide in het hier + nu gebruiken.
Ik vraag haar 'hoe kijk
je naar me?'
Zij is inmiddels 5x bij me, dus die vraag begrijpt ze wel.
Tool is: het bewustzijn vergroten door de aandacht te richten op lichaams- en gevoelsuitdrukking.
Dan zegt ze: "aan
de ene kant wil ik het je wel vertellen en aan de andere kant vind ik het
ontzetten spannend wat je ervan vindt."
Ze voelt zich heel kwetsbaar.
Weer word ik nieuwsgierig. Het is nog in het begin van de bijeenkomst, ik
heb tijd zat. Dus ik kan verder gaan met het samen met haar ontrafelen.
Tool is: goed de tijd ervoor kunnen nemen.
Ze laat zien hoe ze in
tweestrijd zit: ze voelt zich kwetsbaar én vindt het heel spannend.
Ze wil het wel onderzoeken én is bang voor mijn oordeel.
Wat er op tafel ligt is: ik wil me wel laten zien én ik voel me ontzettend
kwetsbaar.
Ik ben dan ontzettend nieuwsgierig waar dat vandaan komt en wil haar de gelegenheid
geven dat te ontdekken.
Door mijn vraag geef ik haar de gelegenheid dat verhaal in te gaan, die deur
zélf te openen. Ik stel dus een ruime open vraag.
Tool is: door open vragen, wel in een richting, geef ik de macht en de ruimte aan de begeleide: zij kan zelf gaan onderzoeken en ontdekken.
Ik vraag: 'hoe ging het
nou thuis met leren, met je best doen?'
Ik vraag naar thuis, omdat ik het idee heb dat ik niet de supervisor meer
ben, maar iemand anders, waar ze die gevoelens tegenover heeft.
Ze gaat vertellen hoe
er thuis gepraat werd over leren, over je best doen.
Dan opeens wordt ze emotioneel.
Ik voel, als ik naar haar kijk en meevoel, dat ze niet meer in mijn werkkamer
is. Ik vraag haar dan ook: 'waar ben je?'
Ze is een andere deur door gegaan.
Ze vertelt dat ze op een
verjaardagsfeest zit, ze is 11 jaar.
Ook dit laat ik haar in de 1e persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd zeggen.
Dus: 'ik zit in de kamer thuis, er is verjaardag. De visite zit in een kring
en moeder zit tegen een tante te praten. Ze hoort haar moeder zeggen: "voor
ons Riet is de huishoudschool voldoende". Dan wordt ze woest van binnen,
ze voelt haar hele lijf strak worden en ze denkt (en dit alles zegt ze hardop
hier in mijn werkkamer): 'ik zal je laten zien, ik zal je bewijzen dat ik
het beter kan.'
Direct nadat ze zichzelf dit hoort zeggen komt ze terug in mijn kamer, kijkt mij aan en zegt: "dat ben ik nog steeds aan het doen. Ik ben nog steeds aan mezelf, aan de instelling, aan iedereen aan het bewijzen dat ik het wel kan."
4. Integratie op 1e
en 2e niveau:
De vrouw uit het voorbeeld is zich bewust van 'haar best doen', ze realiseert
het zich, voelt het fysiek, motorisch. Er is een integratie op het 1e niveau:
wat er gebeurt met je als mens. Wij noemen dat 'de narratieve sturing'.
Op het moment dat ze zich dat bewust is, kan ze zichzelf 'cognitief' sturen,
ze transformeert haar inzicht naar haar werk. Dit is de integratie op het
2e niveau.
De narratieve sturing gaat voor de cognitieve sturing, net als de integratie
op het 1e niveau vooraf gaat aan de integratie op het 2e niveau.
Op haar werk zal ze geheid
weer in haar valkuil vallen van 'haar best doen'. Eerste stap is dit voelen
en erkennen.
Als zij op haar werk weer echt achter haar computer zit voelt zij nu heel
lijfelijk de agressie in zichzelf: 'ik ga het bewijzen'. De agressie zoals
ze hem voelde op het verjaardagsfeest, waar ze vervolgens haar besluit nam.
De agressie die ze weer voelde toen ze het verjaardagsfeest opnieuw bezocht
door in haar verhaal te stappen in de supervisie.
Die agressie, die lijfelijke gewaarwording ervan, is een sein geworden voor
haar. 'Als ik zo achter mijn computer zit, dan moet ik even pauze nemen.'
Bij sommige mensen zit het sein in een zinnetje, bij andere in een lijfelijk
signaal, bij sommigen omdat ze afdwalen. Iedereen kan zijn eigen sein oppikken.
Vervolgens kan de supervisant de keuze maken om eruit te stappen.
Naarmate zij die keuze vaker maakt gaat dit makkelijker, dit is 'zelftraining'.
In supervisie is het alternatieve gedrag natuurlijk ook onderwerp van gesprek.
Soms moet alternatief gedrag geleerd worden.
De supervisant gaat kijken naar de normen die ze zichzelf oplegt.
Ze gaat zich opnieuw verhouden tot de situatie. 'Wat gaat er gebeuren als
ik minder mijn best doe op mijn werk?'
Ze kijkt naar de werkcontext en welke krachten daar zijn. Dat is het volgende
dilemma. Die dilemma's werken op elkaar in en wat de supervisant doet is ze
onderscheiden. Vervolgens kijken naar wat er van haar wordt verwacht en wat
zij als professional wil. De supervisant gaat kijken naar de keuzes die ze
wil en kan maken.
5. Wat vraagt deze manier van werken van de supervisor?
Basisvoorwaarden zijn
dat de supervisor:
" werkt met zijn eigen awareness
" werkt in het directe contact met de supervisant
" kan en wil werken met rollen
" wil werken met verhalen
" werkt met aandacht voor alle facetten van aanwezigheid (lichaam + geest)
" werkt met zelfreflectie: constant bewust zijn van de eigen aanwezigheid
en keuzes kunnen maken binnen de dubbele relatie.
" het vermogen heeft om ruimtelijk te bevatten wat er bij de ander gebeurt
en in zichzelf.
" regisseur is én het verhaal van de supervisant volgt
" nieuwsgierig is én respectvol.
Slot:
Supervisoren kunnen supervisanten helpen in hun verhaal te stappen.
Het verhaal zo nauwkeurig mogelijk in beeld krijgen.
De supervisant in zijn eigen verhaal laten stappen en op die manier te laten
ontdekken wat hem beweegt.
Deze manier werken betekent
op inspirerende ontdekkingstocht gaan,
zonder vooraf te weten waarheen.
Als supervisor moet je moet bereid zijn onverwachte paden in te slaan, ravijnen
te overbruggen en donkere dieptes te betreden.
Je bent een gids die volgt, een gids die zijn basisuitrusting op orde heeft
en die ervoor kan zorgen dat de ontdekkingsreiziger veilig kan ontdekken.
Om uiteindelijk gezamenlijk 'rijker' weer veilig thuis te komen.